III. Onder ‘substantie’ versta ik datgene, wat op-zich-zelf bestaat en uit zichzelf moet worden begrepen; dat wil zeggen datgene, waarvan het begrip niet het begrip van iets anders, waaruit het zou moeten worden afgeleid, veronderstelt.
IV. Onder ‘attribuut’ versta ik datgene wat het verstand opvat als uitmakende het wezen van een substantie. Hierbij rijst de vraag over de verhouding tussen de substantie en de attributen. Zijn het twee onderscheiden zaken of wordt hiermee één en hetzelfde aangeduid? Met andere woorden is de substantie gelijk aan zijn attributen (identiteit) of heeft de substantie attributen (of eigenschappen in de zin dat bijvoorbeeld Socrates de eigenschap heeft sterfelijk te zijn, om het bij een klassiek voorbeeld te houden.) Spinoza schrijft in een brief aan Simon de Vries (brief 9): ‘Die definitie immers, zoals ik haar als ik het wel heb u gegeven heb, luidt als volgt: onder substantie versta ik datgene wat op zichzelf bestaat en uit zichzelf begrepen wordt, dat wil zeggen waarvan het begrip niet het begrip van iets anders impliceert.
Onder attribuut versta ik hetzelfde, met dien verstande dat ik van attribuut spreek uit een oogpunt van het verstand, dat aan de substatie die en die bepaalde natuur toekent. Deze definitie maakt mijns inziens voldoende duidelijk wat ik onder substatie of attribuut wil verstaan. Gij verlangt echter, hoewel dat helemaal niet nodig is, dat ik met een voorbeeld uitleg hoe één en dezelfde zaak met twee namen kan worden aangeduid. Maar laat ik, om niet karig te schijnen, er twee geven. Als eerste voorbeeld zeg ik: onder Israël versta ik de derde aartsvader, hetzelfde versta ik onder de naam Jakob, die hem daarom gegeven werd, omdat hij de hiel van zijn broeder gegrepen had.
Tweede voorbeeld: onder een vlak wil ik datgene verstaan wat alle lichtstralen ongewijzigd weerkaatst, en hetzelfde versta ik onder wit, met dien verstande dat men van wit spreekt vanuit het gezichtspunt van de mens die naar een vlak kijkt.’ Een ander probleem, die ons eerder voorkwam als een eigenaardigheid, ontsproot uit de formulering in de definitie van het attribuut, met name de zinsnede ‘wat het verstand opvat …’. M. Della Rocca schrijft in zijn boek over Spinoza (ik parafraseer): ‘Door het bestaan van een oneindig aantal attributen in een unieke substantie ontstaat een probleem aangaande de essentie van de substantie.
We zagen dat voor Spinoza een attribuut het wezen uitmaakt van een substantie. Maar kan elk attribuut dit wezen uitmaken? Wat is de betekenis van die zinsnede ‘wat het verstand opvat’ in de definitie van het attribuut? Deze zinsnede wijst erop dat wat wordt gezien als de essentie (of wezen) van de substantie afhankelijk is van de manier waarop het verstand (of intellect) deze opvat. Wordt deze opgevat als uitgebreidheid, dan is het wezen van de substantie uitgebreidheid (en niet het denken). Wordt deze opgevat als denken, dan is het wezen van de substantie denken (en niet uitgebreidheid). En zo voor alle attributen. Neutraal opgevat – d.w.z. vanuit het goddelijke standpunt – is het wezen van de substantie om alle attributen te omvatten. En dit is precies wat de definitie van God uitdrukt. ‘Onder God versta ik het volstrekt oneindige wezen, dat wil zeggen een substantie, uit een oneindig aantal attributen bestaande, waarvan ieder zich een eeuwig en oneindig wezen uitdrukt.’
JVL


