donderdag 30 juli 2009

Losse bedenkingen

Het wordt moeilijk wanneer een filosofie zich gaat uitspreken over de vraag hoe men moet leven:

Filosofie zie ik als niets meer of minder dan een soort georganiseerde mentale activiteit met een aantal bijzondere kenmerken: In tegenstelling tot bijvoorbeeld een bridgeclub wordt rationele intelligentie niet zozeer ingezet om toevalligheden binnen gekende structuren te duiden maar om dieper in de morfologie van het denken zelf door te dringen wat ons in staat stelt de werkelijkheid te (her)ontdekken. Belangrijk is de aanwezigheid van een affectieve band met hetgeen er wordt bestudeerd. Voorschriften die uit een dergelijke bezigheid voortvloeien kunnen m.i. enkel betrekking hebben op het bedrijvigheden van de filosofie zelf, gezien elke andere doelstelling voor het menselijke handelen onderdeel uitmaakt van de vraagstelling.

Het verhaal van de drie metamorfosen - jarenlang een soort credo van mij - zie ik eveneens in dit licht: Nietzsche beschrijft er de opeenvolgende fasen die moeten worden doorlopen met als doel het zich losrukken uit andermans denken. Geen levenskunst maar de beschrijving van een denkparcours. Niet de uitgewerkte gedachten zelf maar hun opstelling (slagorde). Wat nu gedaan met de kameel-formatie? De meest verpletterende last die door geen enkele kameel kan worden gedragen is deze van het behoren. In het behoren sterft de filosoof en wordt pedagoog, priester of therapeut. Niets mis mee, maar filosofie is het niet. De passionele relatie die eens bestond met de wijsheid wordt op die manier een al dan niet comfortabel huwelijk.

Zo kan het voeren van een kartel twee dingen betekenen: a) De vaste maaltijd die samen wordt genuttigd in comfort en eerbied of b) de confrontatie van een tekst met reeds bestaande denkbeelden met denkbeelden in ontwikkeling in de hoofden van de kartelleden. Indien a) de voorkeur wegdraagt pleit ik voor X.O.-cognac en een assortiment uitgelezen abdijkazen. In geval b) moet er een tastbaarder gevolg worden gegeven aan de leessessies dan enkel een volle maag of blaas. (Laat ik hier eerlijkheidshalve aan toevoegen dat mijn talent voor het maken van plannen mijn talent voor het ten uitvoeren brengen van die plannen ruimschoots overtreft, maar toch.)

Georganiseerde mentale activiteit. Er zijn maar een paar dingen die mij werkelijk - maar dan ook grondig - kunnen boeien: In de eerste plaats zoek ik naar rationele argumenten die krachtig genoeg zijn om hetgeen wij als evident beschouwen aan het wankelen te brengen. Dit is zonder meer een erg persoonlijke vorm van genot. Wanneer een dergelijk operatie met succes verloopt bezorgt dit mij een enthousiasme dat om meer dan één reden kinderlijk kan worden genoemd. Bij het verorberen van andermans gedachten, via welke weg dan ook, is het de grote ontlading bij een nieuw besef die de tergende activiteit van het studeren de moeite waard maakt. Het is kakken na de maaltijd.

Indien zich in het verlengde hiervan zich een stap in het bewustzijn voordoet op een grotere schaal - vriendenkring, auditorium, land, wereld - kan het genot enkel groter zijn. De absolute topper blijft voor mij Copernicus. Het produkt van zijn mentale arbeid verplichtte iedereen die na hem kwam hun wereldbeeld bij te stellen. Let wel, het is niet noodzakelijk de waarheidsaanspraak op zich die voor mij van belang is (het heliocentrisme van Copernicus is ook ronduit fout in het licht van latere ontdekkingen betreffende de vorm van het heelal) maar de stap zelf die werd gezet en de overtuigingskracht van de argumentatie.

Daarnaast dwingen de kleine en grote overwinningen over het eigen bewustzijn bewondering af. Zo kreeg Copernicus - volgens de overlevering - de eerste druk van zijn De Revolutionibus Orbium Coelestestium pas op zijn sterfbed te zien, doodsbang als hij was voor vervolging wilde hij zijn werk niet eerder uitgeven. Voorbeelden van het zelfde in de geschiedenis van het denken zijn in overvloed te vinden. Laatst las ik dat ook Darwin zijn leven lang werd geplaagd door angst voor de reactie van zijn tijdgenoten op zijn werk. Het lijkt bijna een voorwaarde voor het formuleren van een belangrijke gedachte.

Dit genot van het inzicht heeft in mijn geval soms een verslavingskarakter. Dan roof ik mij een weg door de meest onbeduidende stukken tekst, halve indrukken of de hoofden van wie mijn pad kruist als een junkie die steeds op zoek is naar de roes van de allereerste shot.

In de tweede plaats stoelt het gros van wat ik denk op één vaste overtuiging: Namelijk dat de aanwezigheid van een kennend subject volledig te verwaarlozen is binnen de werkelijkheid. Dat begrip op geen enkele manier 'grip' heeft op de werkelijkheid dan daar waar zij rechtstreeks door haar wordt beïnvloed en gevormd. Ontstaan en verdwijnen van de mens, als individu of als soort zijn vrijwel onbetekenend binnen de immense uitgestrektheid van hetgeen er buiten zijn bestaan ligt. Het voetstuk waar het denkend subject zichzelf doorheen de geschiedenis heeft op gehesen is niet veel waard. In een moderne vrijzinnige opvatting dient het voornamelijk als uitvalsbasis om het goddelijke perspectief te kunnen bekampen waarbij het bedoelde godsbeeld eveneens een construct is waarrond de mens, dronken van eigenwaan, vrolijk kon orbiteren.

Bij Spinoza vind ik een heel aantal ideëen terug die hierbij aansluiten, wat mijn enthousiasme bij het lezen van de teksten uit de ethica mag verklaren. Hoewel Spinoza zich er heel goed van bewust is dat wij beperkt zijn in ons denken komt hij door middel van het denken tot de vaststelling van het bestaan van een buitenmenselijke werkelijkheid. Een omnicient perspectief is niet voor ons weggelegd (en een beetje zinledig als begrip) maar het denken van Spinoza laat toe een bres te slaan in het ik.

In dit verband had ik graag meer geweten over de argumentatie van Wittgenstein; gezien hij het (filosofisch) subject beschouwd als niet van deze wereld kan het subject in zijn uitspraken enkel over zichzelf spreken. Hier kan ik mij - voorzover ik denk er iets van te begrijpen - onmogelijk bij aansluiten. Volgens een dergelijke redenering is het subject ook verantwoordelijk voor zijn eigen ontstaan, gezien de aanname van een eerdere oorzaak voor het ontstaan van het subject in tegenspraak zou zijn met de stelling van Wittgenstein: We kunnen dan op zijn minst zeggen dat deze eerdere oorzaak er is en hoewel we er verder misschien niets zinnig over kunnen zeggen moeten we erkennen dat ze buiten ons ligt, filosofisch zowel als psychologisch. Graag meer hierover.

In het licht van het voorgaande zou ik nog even willen terugkomen op de eeuwige wederkeer. Kort, want ik denk dat ik enerzijds het begrip zelf bij Nietzsche niet goed bevat en anderzijds ook uw worsteling ermee niet goed begrijp. Dat Nietzsche zelf te slim zou zijn geweest om de eeuwige wederkeer niet zonder goede reden op ons los te laten als een van de peilers van zijn denken wil ik wel aannemen maar ik wil - net als uzelf - weten waarom. Van nature ben ik erg wantrouwig tegenover ideëen die schijnbaar een soort "leap of faith" vragen van het publiek, hoe betrouwbaar de bron ook mag zijn.

Naar mijn aanvoelen is de eeuwige wederkeer meer een soort toonzetting die Nietzsche die geeft aan zijn werk. het creëert een sfeer van samengebalde kracht in elk ondeelbaar moment. Gewicht? Mijn eigen benadering van de werkelijkheid is hieraan in wezen tegengesteld en gaat uit van een relatieve vluchtigheid van het bestaan, in die zin dat het leven zelf ons er steeds toe lijkt te dwingen in zichzelf te gaan kijken in weerwil van het besef dat er onnoemelijk veel meer buiten ons ligt dan in ons. Indien de wereldbeschouwing in onze tijd en ruimte zich ergens aan schuldig maakt is het wel dat ze buitensporig topzwaar is geworden aan de zijde van het ik (als waardehebbend en waardegevende instantie). Ook hier is denk ik een soort Copernicaanse omwenteling ondertussen meer dan welkom.