vrijdag 26 maart 2010

Een interessante wending (6)

'Hoe voelt het om automaat te zijn?’ Prachtig. Mooie titel voor de blog.
Mooie haat-analyse ook.

Maar toch een wederwoord:

1. Onafhankelijkheid en ethiek. Staat een zekere autonomie of werkzaamheid bij de mens er garant voor dat deze kan komen tot een ethisch bestaan? Uiteraard is dit in haast elk ethisch denken een onvoorwaardelijke voorwaarde, een conditio sine qua non. Maar bij Spinoza ligt dat volgens mij moeilijker. Elke modus kenmerkt zich immers door een zekere werkzaamheid, en bijgevolg tot een zekere onafhankelijkheid. (‘Er bestaat niets uit welks aard niet een of andere werking voortvloeit’ - voor mij een van de mooiste stellingen uit het boek). Als je er even over nadenkt is dit helder en duidelijk: mocht een willekeurige modus geen eigen werking hebben zou het immers meteen verdwijnen door een overweldiging van externe krachten. Elk ding moet een zekere weerstand bieden om te bestaan. Een absoluut passief ding kan onmogelijk bestaan. Bestaan is macht, zei Leibniz. Dus de relatieve onafhankelijkheid van de mens is niet iets dat hem onderscheid van andere dingen. Elk ding dat bestaat wordt erdoor gekenmerkt. Vanuit een strikt deterministisch wereldbeeld is het dus niet zo moeilijk om te komen tot een zekere onafhankelijkheid van zijn onderdelen, als we tenminste de werking en uitwerking van de dingen strikt noodzakelijk opvatten.

Nu is het de vraag of we deze onafhankelijkheid of relatieve afhankelijkheid mogen opvatten als vrijheid? Uiteraard, als we vrijheid verstaan in de betekenis die Spinoza eraan geeft. (‘Datgene zal vrij heten, wat alleen krachtens de noodwendigheid van zijn eigen aard bestaat en alleen zichzelf tot werken wordt genoopt’) We mogen dus concluderen dat de mens, zoals andere dingen, beschikt over een zekere onafhankelijkheid, waaruit alles met noodwendigheid voortkomt. Maar het is belangrijk te zien dat de mens zich hier niet onderscheidt van enig ander ding.

(Het is daarbij ook interessant dat Spinoza het begrip ‘vrijheid’ niet tegenover ‘noodwendigheid’ plaats, maar wel tegenover het begrip ‘afhankelijk’)

Ik wilde uiteraard niet ontkennen dat Spinoza een ethiek ontwikkelt. Ik wilde er in mijn mail enkel op wijzen dat er een zeker spanning bestaat in de Ethica. De mens komt, volgens Spinoza, tot een grotere volmaaktheid als hij volgens de Rede leeft. Maar de cruciale vraag is dan, hoe komt een mens hiertoe? Wat noopt hem hiertoe? Gezien alles noodzakelijk is, moeten we ons deze vraag stellen. Klever schrijft in zijn tekst dat dit automatisch gebeurt, zonder enige wilsdaad van de mens, of beter gezegd enkel met een noodzakelijke veroorzaakte wilsdaad. Het is een uitdagende stelling van hem, en ik laat dit inzicht (nog) niet vallen. Volgens deze stelling (laten we het de Stelling van Klever noemen) komt de mens niet tot een ethisch bestaan door een zelfverhouding, maar door bepalende oorzaken (en de conatus), die zijn Rede verder stimuleren en ontwikkelen.

De vraag is of, we bij Spinoza, vanuit een zelfverhouding tot een ethisch bestaan kunnen komen. Foucault, de andere denker die momenteel in mijn hoofd zit, werd niet geplaagd door dit probleem, omdat hij niet vanuit een rostvaste metafysica vertrok. Zijn speelruimte was groter, minder gebonden aan metafysische uitgangspunten. Een ethische ontwikkeling is bij Spinza zeker te vinden, maar een ethische zelfontwikkeling? Met ethische zelfontwikkeling bedoel ik, voor alle duidelijkheid, dat het zelf – of het subject- de stuwende kracht kan is van zijn eigen ethische ontwikkeling? Mij lijken het ‘zelf’ en het ‘subject’ nogal moeilijke termen binnen het denken van Spinoza. Ik ben er nog niet uit. (en juist daarover ging mijn eerste mail, over de zelfverhouding).Volgens mij kunnen we dit pas juist inschatten nadat we de laatste woorden van deel 5 lezen. En zelfs dan… Gaat het er in een lezing van een filosofische tekst niet eerder om te komen tot problematiseringen? Antwoorden zijn saai.

2.Het determinisme… Het verband tussen oorzaak en gevolg is , volgens Spinoza, van dezelfde noodzakelijkheid dan dat de som van de drie hoeken van een driehoek 180° is. Dus mochten we een goddelijk kennen bezitten, zou het tijdsverloop secundair zijn. Er kan niets anders gebeuren dan het noodzakelijke, ook niet in de toekomst. De som van de hoeken van een driehoek zal nooit 179,99° zijn. Alles wat gebeurt is strikt noodzakelijk. Eigenlijk is tijd niet zo belangrijk in dit soort metafysisch denken. Net zoals tijd niet belangrijk is in de geometrie van Euclides. Vanuit ethisch punt gezien, opnieuw, is het dan belangrijk hoe we ons verhouden tot deze noodzakelijkheid.

3. De verhouding van geest en lichaam is bij de mens, en dit volgens Spinoza, niet anders dan bij een ander ding. De verhouding is juist dezelfde, er bestaat enkel een verschil in gradatie. De mens is complexer samengesteld dan een kat, wortelstok of steen en dit impliceert dat ook zijn geest complexer is. Maar de verhouding is niet anders. (zie opmerking bij stelling 13, deel 2). De mens heeft geen enkel uniek kenmerk. Vandaar het anti-humanisme van Spinoza.

Joris

Een interessante wending (5)

Schoon van die afhankelijkheid, Steven. Maar waarom niet vasthouden aan dat 'momentum'? De relatieve afhankelijkheid als auto-maat, inderdaad. De relatieve vrijheid dan toch ook?

Zelf zit ik nog op een ander reflexief spoor, van de vorige 'vorige bijeenkomst', naar de betekenis van de haat... . is deze enkel pejoratief en passief op te vatten? of is zij ook een deugd? was toen min of meer Joris' briesende vraag.

Spinoza definieert in zijn meetkunde van de affecten de haat als: ‘Droefheid vergezeld door de voorstelling van een uitwendige oorzaak.’ Droefheid wordt omschreven als een lijding, waardoor de Geest tot geringere volmaaktheid overgaat. Liefde is dan niets anders dan: ‘Blijheid vergezeld door de voorstelling van een uitwendige oorzaak’. Blijheid is dus ook een lijding, zij het een waardoor de Geest tot grotere volmaaktheid overgaat. Liefde en haat zijn dus beiden passieve aandoeningen.

De psychologie van Spinoza is evenwel dynamisch. Grondend of doorslaggevend voor het wezen van de mens is de Begeerte. Naast blijheid en droefheid is zij de derde ‘oorspronkelijke’ aandoening. Deze begeerte is gegrond in de zijnsleer, waar zij als de Conatus van elk ding begrepen wordt: ‘Elk ding tracht, voor zover het van hem afhangt, in zijn bestaan te volharden.’ De begeerte, die volgt uit dit Natuurlijke ‘levens-principe’ duidt dus niet op een lijding, maar kenmerkt zich als een handeling. Het is in deze dynamiek tussen wat van ‘binnen’ en wat van ‘buiten’ komt als ‘handeling’ of ‘lijding’ dat de metamorfose van de aandoeningen zich afspeelt. De geest in zijn verknoping aan het lichaam behelst aldus ook een ontkenning, voor zover dat lijdingen in betrekking staan tot de geest als inwerkingen van de Natuur. Het actieve deel (kan) wordt zo door het passieve overspoeld, en aldus lijdt men onder de passies. Men kan aldus de kracht van het actieve pincipe (ten dele) verliezen, men is zijn mojo of zijn conatus/ begeerte kwijt... Ethiek is dan 'zorgen dat de begeerte stand houdt'. Leven = begeerte. Nietzsche in de vrolijke wtsp : "uiteindelijk hebben we de begeerte lief, en niet het begeerde".

Is er dan ook geen kwalitatief verschil tussen liefde en haat? Is het ambivalente samenspel van liefde-haat rond de begeerde (inwendige) objecten voldoende om de begeerte naar een toenemende blijdschap / begeerte te voeren? 'Grotere' begeerte is waar het om te doen is... niet grotere liefde.. of wel? Grotere blijdschap, ook al klinkt dat bond zonder naam. Kan de haat toch ook niet bevrijdend werken? In de zin van een grotere handelingspotentieel vrij te maken door de uit gratie vallende objecten achter zich te laten? Uit liefde, natuurlijk. af-vallige liefde. De objecten die na overwonnen actie, tot passiviteit vervallen, geen activiteit verdragen of de begeerte niet meer overleven?

Gaat de begeerte zo niet voorbij goed en kwaad? In de diabolische omwenteling en metamorfose van liefde en haat?

Bert

Een interessante wending (4)

Zo zie ik het ongeveer: Uiteraard is een ethisch bestaan mogelijk bij Spinoza en het gebruik van de rede ter bestrijding van de vooroordelen speelt hierin de voornaamste rol. Maar de logische uitwerking van wat Spinoza ons in de ethica brengt laat geen enkele ruimte voor een autonome persoonlijke keuzemogelijkheid, dus los van de inwerkingen die wij ondergaan. Dit is een taaie.

'Wij' staat hier zowel voor mens als kat als steen, het verschil tussen deze drie moet worden gezocht in hun respectieve vermogen om zelf tot (de voornaamste) oorzaak te worden van van volgende gebeurtenissen en er in slagen hun eigen bestaan te bestendigen. Het woord 'speelbal' klopt dus slechts ten dele, gezien elke speelbal zelf ook speler is. Voor zover wij speelbal zijn, zijn wij dit in de handen van een speler (de natuur/God) die ons zonder intentie of persoonlijke gerichtheid van inwerkingen voorziet. Doelmatigheid (en dus ethiek in de vorm van een streven naar goed/kwaad, wenselijk/onwenselijk, meer/minder) bestaat niet. Bevinden wij ons ten slotte binnen de bekende grenzen van ons eigen denkende lichaam, dan bevinden we ons in de positie waar we zelf oorzaak zijn van nieuwe gebeurtenissen. Als speelbal (en ik gebruik het woord hier niet noodzakelijk zoals Bert het heeft bedoeld) spelen wij dus een active rol. Zoals ik bij onze laatste samenkomst al aangaf moeten we trachten te verduidelijken op welke manier we het mechanische determinisme (dat bij Spinoza absoluut is) in zijn juiste context plaatsen die het mogelijk maakt om onze ervaring van (keuze) vrijheid te kunnen verklaren. Naar mijn mening wil dit in de eerste plaats zeggen dat we moeten afstappen van het concept dat hetgeen noodzakelijk moet gebeuren in zeker zin al is gebeurd. Dat onze toekomst als het ware al bestaat en dat wij gewoon door de bewegingen gaan van een film waarvan de rol reeds af is met een begin, een midden en een einde. Het is niet omdat een verloop deterministisch is vastgelegd dat de uitkomst al bestaat.

Sta mij toe even driest te theoretiseren en zijns- en kenleer schaamteloos met elkaar te vermengen: Gezien god bij Spinoza samenvalt met de volledige natuur en enkel deze god beschikt over een volledige kennis van de werkelijkheid lijkt het een logisch gevolg dat dit 'alles zijn' van god ook de voorwaarde is voor 'alles weten'. De mens als modus behelst slechts een eindig stuk van deze werkelijkheid wat onze kennis noodzakelijk onvolledig maakt. Elke kennis die we opbouwen over de werkelijkheid buiten onszelf (en over onzelf als onderdeel van die werkelijkheid) verhoudt zich tot die werkelijkheid zoals pakweg een .jpg afbeelding zich verhoudt tot een bitmap. Een reductie waarvan de overeenkomst met het origineel dermate treffend kan zijn dat we het voor een volmaakte afbeelding hiervan houden. Bij nader onderzoek (bij uitvergroting bvb) zien we echter dat dit niet zo is. Zo ook is elk toekomstbeeld dat we onszelf voorhouden in meer of mindere mate onvolledig.

Wat wij onze vrije keuzes noemen, zijn uitwerkingen van eerdere aandoeningen, maar ook deze uitwerking is een actief proces, gedreven door de conatus. Geen stap in een reeds gemaakte voetafdruk in het natte zand maar een beweging in de spits van de golf van de zich ontwikkelende toekomst. Hoe zou dit voor een einde van het humanisme moeten zorgen? Toegegeven een strikt antropocentrisch humanisme met de mens als enige zingever is niet langer houdbaar. Verliezen we hier veel aan?

Ik meen van niet. Anderzijds staat ook een berusting in gods almacht haaks op de beweging die het systeem uit de ethica zo kenmerkt. 'De mens als vleesgeworden evenbeeld van god'? Toch niet bij Spinoza die elk antropomorfisme naar het rijk der fabelen verwijst?!

Een humanisme waarbij het streven van de mens als modus, ertoe komt zijn voortbestaan te bestendigen door langs rationele weg de wereld te benaderen en hiernaar te gaan handelen lijkt mij net uiterst voor de hand liggend in Spinoza's systeem. Of wij de persoonlijke auteurs zijn van de 'keuzen' die hiertoe gemaakt worden, dan wel hiertoe worden gebracht zijn door hetgeen ons veroorzaakt lijkt mij van weinig belang voor de praktische ontwikkeling van ons leven.

Niemand zal tegenspreken dat wij op geen enkele manier inspraak hadden bij onze eigen verwekking en geboorte. Deze wetenschap van totale afhankelijkheid van een externe oorzaak bij ons ontstaan, weerhoud ons er toch niet van ons bestaan verder te zetten naar mate wij aan eigen momentum winnen? Volgens Sinoza, zoals ik hem benader, zijn wij dus wel degelijk de gevreesde automaten uit het mechanistische wereldbeeld (hoewel niet zo geweldig 'auto' gezien er een voortdurende inwerking van buitenaf bestaat. 'exomaten'?. Hoe voelt het om een automaat te zijn? Zo dus.

Steven

Een interessante wending (3)

Ik denk ook dat een mechanica van de affecten of aandoeningen, de mens daarom niet 'louter' tot speelbal reduceert. De mens is speelbal, maar in bepaalde gradaties van adequate voorstellingen met kennis van het 'speelbal' zijn. En aldus ook speler. Dit gedetermineerde spelen impliceert misschien wel een 'ethos' of ethische houding die door kennis bepaald is. De kennis van bvb de nabootsing van de aandoeningen is van dusdanig menselijk belang, omdat het de omgan met zichzelf en de ander als gelijke betreft. Het medelijden zowel als de afgunst en de nijd, betreffen de mede-mens in eerste instantie. Wij hebbben niet het medelijden van dezelfde orde met de mus of nijd ten aanzien van de leew. Dat de kat dus maar bij haar melk blijft.

Anderzijds is humanisme natuurlijk dood, en valt er ook wel iets over de katachtigheid en de boomheid en de wortelstok in de mens te zeggen. Interessant punt om verder te onderzoeken. Toch is de geest van de mens anders met zijn lichaam verknoopt. En op het niveau van zijn antropologie in deel drie produceert Spinoza in de ethica een macht-weten-mensbeeld.

Misschien ontwikkelt de lezing zich vanuit de kennis over de aandoeningen mogelijks tot een 'ethos', dat misschien toch iets anders is dan louter normatief? ...

Vrijblijvende, neutrale 'menswetenschap' kan de kennis van de aandoeningen of dit 'weten' alleszins niet zijn...

Bert

Een interessante wending (2)

Ik ben het hier niet volledig mee eens.
Spinoza laat wel degelijk de mogelijkheid tot een ethische ontwikkeling van de mens: het vergroten van de kennis, en meer bepaald van de kennis over het lichaam. Hoe meer kennis de mens bezit over zijn lichaam, hoe dichter hij tot een ware kennis over God komt - of hoe meer hij over de wetten van de natuur leert. Hoe waarachtiger zijn kennis, hoe meer geluk hij kent.

Ik vind daar sporen in terug van de duizenden jaren oude opvatting dat de mens het vleesgeworden evenbeeld is van god, van de goddelijke principes die versluierd liggen achter de veelheid van de materie. Dat is dus niet de mens die als een automaat ronddwaalt in de mechanische wereld van god de horlogemaker. De mens van Spinoza komt door zijn kennis over god, ook dichter bij god, en is dus meer dan een kat, wat dat betreft

Michaël

donderdag 25 maart 2010

Een interessante wending

Even terug naar gisteren (Kartel van 23/03/2010 nvdr.). Op een bepaald punt kwamen we in de buurt van een interessante wending. Het idee kwam voort uit de stelling dat het woord ‘God’ in de ethica eigenlijk vervangen zou kunnen worden door een ander woord. Zoals natuur. Mensen die zich hiertegen te heftig verzetten worden verdacht dat ze een menselijk, al te menselijk beeld van god in de Ethica willen binnenhalen. Tot hier gaat iedereen mee, het is een weinig verontrustende stelling.

Maar wat als we het woord ‘mens’ zouden vervangen door ‘modus’? Misschien een hyperbolische stelling, maar het geeft wel te denken. Het is iets verontrustender, in de zin dat elke vrije wil of elke vrije werkzaamheid van de mens lijkt te verdwijnen. Elke ethische zelfwerkzaamheid verdwijnt, is onmogelijk. De ethische zelfwerkzaamheid (realisering) van de mens is niet groter dan deze van een kat.

We moeten de mens puur mechanisch denken. Weliswaar als een uiterst complexe mechaniek, maar toch. Van de zeventiende eeuwse denkers is Spinoza de meest mechanische. Hij trekt conclusies waarvoor Descartes of Hobbes terugdeinsen. Hij is uiterst radicaal. Uiteraard bestaat er tegen deze interpretatie nogal wat weerstand. Maar van wie? Van mensen die niet zozeer God willen redden in de ethica, maar van degene die de mens willen redden. De laatste humanisten.In de inleiding tot deel 3 lezen we immers: De Natuur is immers steeds dezelfde, en overal ook zijn kracht en macht dezelfde, d.w.z. de wetten en regelen van de Natuur, volgens welke alles geschiedt en van de ene vorm in de andere overgaat, zijn altijd en overal dezelfde.’

Het bestaan van een ‘ethica’ is puur beschrijvend en kan nooit meer zijn. Elk voorschrijvend ideaal is een inadequaat idee. We zouden eens moeten nagaan wat er in de zeventiende eeuw verstaan werd onder het woord ‘ethica’. Misschien dekte het een heel andere lading dan hetgeen we er vandaag onder verstaan. Betekende het iets als ‘gedragsleer’? Dekte het enkel een beschrijvende lading? Wim Klever schrijft in zijn Ethicom: ‘Onvermijdelijk lezen wij een woord als ‘ethica’ in de betekenis, die er heden ten dage aan gehecht wordt; in die betekenis is een normatieve connotatie geïmpliceerd. Dat geldt niet voor Spinoza’s woordgebruik, ten eerste omdat het onmiddellijk op Aristoteles’ meer neutrale beschouwingen appeleert, en ten tweede omdat het gekozen woord ten vervanging van ‘philosophia’ dat een te breed veld besloeg.’ Spinoza schijft een menswetenschap.

Joris