'Hoe voelt het om automaat te zijn?’ Prachtig. Mooie titel voor de blog.
Mooie haat-analyse ook.
Maar toch een wederwoord:
1. Onafhankelijkheid en ethiek. Staat een zekere autonomie of werkzaamheid bij de mens er garant voor dat deze kan komen tot een ethisch bestaan? Uiteraard is dit in haast elk ethisch denken een onvoorwaardelijke voorwaarde, een conditio sine qua non. Maar bij Spinoza ligt dat volgens mij moeilijker. Elke modus kenmerkt zich immers door een zekere werkzaamheid, en bijgevolg tot een zekere onafhankelijkheid. (‘Er bestaat niets uit welks aard niet een of andere werking voortvloeit’ - voor mij een van de mooiste stellingen uit het boek). Als je er even over nadenkt is dit helder en duidelijk: mocht een willekeurige modus geen eigen werking hebben zou het immers meteen verdwijnen door een overweldiging van externe krachten. Elk ding moet een zekere weerstand bieden om te bestaan. Een absoluut passief ding kan onmogelijk bestaan. Bestaan is macht, zei Leibniz. Dus de relatieve onafhankelijkheid van de mens is niet iets dat hem onderscheid van andere dingen. Elk ding dat bestaat wordt erdoor gekenmerkt. Vanuit een strikt deterministisch wereldbeeld is het dus niet zo moeilijk om te komen tot een zekere onafhankelijkheid van zijn onderdelen, als we tenminste de werking en uitwerking van de dingen strikt noodzakelijk opvatten.
Nu is het de vraag of we deze onafhankelijkheid of relatieve afhankelijkheid mogen opvatten als vrijheid? Uiteraard, als we vrijheid verstaan in de betekenis die Spinoza eraan geeft. (‘Datgene zal vrij heten, wat alleen krachtens de noodwendigheid van zijn eigen aard bestaat en alleen zichzelf tot werken wordt genoopt’) We mogen dus concluderen dat de mens, zoals andere dingen, beschikt over een zekere onafhankelijkheid, waaruit alles met noodwendigheid voortkomt. Maar het is belangrijk te zien dat de mens zich hier niet onderscheidt van enig ander ding.
(Het is daarbij ook interessant dat Spinoza het begrip ‘vrijheid’ niet tegenover ‘noodwendigheid’ plaats, maar wel tegenover het begrip ‘afhankelijk’)
Ik wilde uiteraard niet ontkennen dat Spinoza een ethiek ontwikkelt. Ik wilde er in mijn mail enkel op wijzen dat er een zeker spanning bestaat in de Ethica. De mens komt, volgens Spinoza, tot een grotere volmaaktheid als hij volgens de Rede leeft. Maar de cruciale vraag is dan, hoe komt een mens hiertoe? Wat noopt hem hiertoe? Gezien alles noodzakelijk is, moeten we ons deze vraag stellen. Klever schrijft in zijn tekst dat dit automatisch gebeurt, zonder enige wilsdaad van de mens, of beter gezegd enkel met een noodzakelijke veroorzaakte wilsdaad. Het is een uitdagende stelling van hem, en ik laat dit inzicht (nog) niet vallen. Volgens deze stelling (laten we het de Stelling van Klever noemen) komt de mens niet tot een ethisch bestaan door een zelfverhouding, maar door bepalende oorzaken (en de conatus), die zijn Rede verder stimuleren en ontwikkelen.
De vraag is of, we bij Spinoza, vanuit een zelfverhouding tot een ethisch bestaan kunnen komen. Foucault, de andere denker die momenteel in mijn hoofd zit, werd niet geplaagd door dit probleem, omdat hij niet vanuit een rostvaste metafysica vertrok. Zijn speelruimte was groter, minder gebonden aan metafysische uitgangspunten. Een ethische ontwikkeling is bij Spinza zeker te vinden, maar een ethische zelfontwikkeling? Met ethische zelfontwikkeling bedoel ik, voor alle duidelijkheid, dat het zelf – of het subject- de stuwende kracht kan is van zijn eigen ethische ontwikkeling? Mij lijken het ‘zelf’ en het ‘subject’ nogal moeilijke termen binnen het denken van Spinoza. Ik ben er nog niet uit. (en juist daarover ging mijn eerste mail, over de zelfverhouding).Volgens mij kunnen we dit pas juist inschatten nadat we de laatste woorden van deel 5 lezen. En zelfs dan… Gaat het er in een lezing van een filosofische tekst niet eerder om te komen tot problematiseringen? Antwoorden zijn saai.
2.Het determinisme… Het verband tussen oorzaak en gevolg is , volgens Spinoza, van dezelfde noodzakelijkheid dan dat de som van de drie hoeken van een driehoek 180° is. Dus mochten we een goddelijk kennen bezitten, zou het tijdsverloop secundair zijn. Er kan niets anders gebeuren dan het noodzakelijke, ook niet in de toekomst. De som van de hoeken van een driehoek zal nooit 179,99° zijn. Alles wat gebeurt is strikt noodzakelijk. Eigenlijk is tijd niet zo belangrijk in dit soort metafysisch denken. Net zoals tijd niet belangrijk is in de geometrie van Euclides. Vanuit ethisch punt gezien, opnieuw, is het dan belangrijk hoe we ons verhouden tot deze noodzakelijkheid.
3. De verhouding van geest en lichaam is bij de mens, en dit volgens Spinoza, niet anders dan bij een ander ding. De verhouding is juist dezelfde, er bestaat enkel een verschil in gradatie. De mens is complexer samengesteld dan een kat, wortelstok of steen en dit impliceert dat ook zijn geest complexer is. Maar de verhouding is niet anders. (zie opmerking bij stelling 13, deel 2). De mens heeft geen enkel uniek kenmerk. Vandaar het anti-humanisme van Spinoza.
Joris
